3D spelregels, aanvullingen deel 2.

Een stukje schrijven is leuk maar het risico is groot dat je er later achter komt dat je toch nog iets vergeten bent. Soms val ik in herhalingen, dat hoort bij mijn leeftijd. Trouwens, het feit dat ik dit toegeef geeft wel weer aan dat het meevalt met me.
In de meeste gevallen is het dan bedoeld als extra aanvulling.

  • – Het is niet handig om natuurkleurige veren te gebruiken en om je pijlen makkelijker terug te vinden is het slim om veren te gebruiken met heldere kleuren, zoals fluorescerend geel of oranje. Witte veren zijn ook duidelijk te herkennen.
    Ook in felle kleuren geverfde schachten helpen om de pijlen sneller terug te vinden. De kleuren groen, bruin en zwart zijn nagenoeg onvindbaar in het struikgewas. Beter is het om het beest te raken zodat je niet hoeft te zoeken. Zoals ik al
    eerder vertelde is het ook belangrijk dat de hele groep meekijkt als er geschoten wordt, de kans op terugvinden wordt daarmee erg vergroot.
  • Natuurlijk moet je even zoeken naar je pijlen, maar doe dit niet te lang als er een groep achter je aan komt. Het komt voor dat men zo lang zoekt dat er meerdere groepen staan te wachten. Ligt er een pijl achter het doel, zorg er dan voor dat er altijd één schutter duidelijk zichtbaar bij het doel staat zodat achteropkomende groepen niet in de verleiding komen om te gaan schieten terwijl er mensen in het struikgewas aan het zoeken zijn..
  • Bij een inloopdoel staat het beestje standaard ver weg. Je begint met één pijl op de verste afstand en als je mist loop je naar de volgende plok. Indien je opnieuw mist dan loop je weer naar de volgende plok. Feitelijk schiet je dus drie verschillende afstanden tenzij je eerder het doel raakt. Zoals gezegd staat het doel meestal erg ver weg en staat het ook vaak op poten. Poten zijn heel normaal bij dieren maar het risico is ook erg groot dat je onder het dier, tussen de poten, schiet. Vooral reeën, herten en dat spul staat hoog op de poten en daar heb ik zelf wel last van. Het kan helpen als ik mezelf inbeeld dat er geen hert staat maar een konijn (hoezo is boogschieten geen psychologisch spelletje?) Het gaat zelfs zover dat als mijn mede-schutters “Ha, een konijn” roepen, ik al weet dat het iets is met hoge poten. Het helpt als je dan ter hoogte van de voorpoten mikt, indien je iets te laag schiet dan heb je nog kans op een treffer in één van de voorpoten.
  • Soms staat er een bewegend doel in het veld. Dat is een aparte uitdaging, het beest staat namelijk niet stil maar komt omhoog uit een gat of vanachter een boom of vliegt voorbij. Behalve richten speelt dan ook de tijdsfactor mee en dat maakt
    het extra lastig om een goed schot te lossen.
  • 3D doelen kunnen erg klein zijn en dan is het juist zaak om goed te focussen. Is het een horizontaal beestje dan valt het nog wel mee, je moet dan goed richten en lossen. Is het een laag dier dan wordt het toch lastiger omdat dan afstand
    inschatten erg belangrijk wordt. En laat dat nou het moeilijkste zijn. Er zijn schutters die een krokodil raken door de pijl via de grond in het dier te laten ketsen, dit levert dus geen punten op!
  • Vissen liggen vaak aan de rand van het water en dat is best gek want een vis leeft in het water en niet ernaast. Maar meestal is het toch praktischer om een vis op het droge te leggen. Slechts één keer heb ik meegemaakt dat de vis inderdaad onder water lag. In zo’n geval moet je rekening houden met de lichtbreking. Richt dan altijd voor en niet op de vis want dan gaat de pijl over het dier heen. In zulke gevallen is er wel een duiker aanwezig om te zorgen dat je je pijlen terug krijgt.
  • Je mag collega schutters nooit plagen maar soms is het wel lastig om je mond te houden of niet in lachen uit te barsten. Ofschoon we serieus met onze sport moeten om gaan moet er ook gelachen worden. Meestal is het leedvermaak en je moet je dan wel afvragen of men daarop gesteld is. Dit kan heel verschillend zijn en als je je collega schutters niet goed kent (en andersom) dan kan dit wel een probleem zijn. Het is daarom ook beter om met bekende schutters de wedstrijd af te lopen zodat je weet wat je aan ze hebt en zij aan jou. Maar ook in een onbekende groep kom je er al snel achter hoe men in het leven staat.
  • Als het slecht weer is zal je merken dat het schieten een beetje anders gaat dan je gewend bent. Vooral harde wind en ook regen beïnvloeden de vlucht van je pijl en soms is het nodig om een meter naast het doel te richten bij een sterke zijwind. Ook dat is een uitdaging en maakt het extra spannend. Regenkleding kan sowieso aardig in de weg zitten als je aan het schieten bent net zoals ruimvallende kleding (jas). Sommige schutters wikkelen elastiek om de mouwen om te voorkomen dat de pees tegen de jas mouw slaat wat natuurlijk heel veel invloed heeft op de pijlvlucht. Op het parcours kan het spekglad zijn en goede schoenen zijn noodzakelijk om grip te houden. Zorg in ieder geval dat je je boog en pijlen zodanig vervoerd dat je er niet boven op kunt vallen, zonde van je materiaal maar misschien ook zonde voor je zelf. Een collega schutter een hand reiken en helpen kan ook geen kwaad. Ga je wel op je snuit dat is het voor de rest lastig om het gezicht in de plooi te houden. Wel altijd even vragen of gevallene zich geen pijn heeft gedaan en eventueel Eerste Hulp bieden.